De situatie in Nederland

Hoe is de situatie in Nederland? Als we om ons heen kijken zien we steeds meer initiatieven om bewuster om te (kunnen) gaan met eten.
Uit de halfjaarcijfers van de EKO-monitor van 2006 blijkt dat de omzet van biologische voedingsproducten in het eerste halfjaar van 2006 met €223,8 miljoen 6,3% hoger lag dan in het eerste halfjaar van 2005. De omzet van de totale voeding (biologisch en niet- biologisch) steeg in dezelfde periode met 3,1% naar bijna €12 miljard. Dit betekent dat de verkoop van biologische voedingsmiddelen twee keer zo hard stijgt als die van de totale markt.

Deze stijgende lijn kan voortkomen uit de steeds alarmerend wordende cijfers over ons gewicht en gezondheid. Het is geen geheim dat steeds meer mensen leiden aan obesitas en dat ook kinderen steeds vaker te kampen hebben met zwaarlijvigheid. Verder kunnen bijvoorbeeld berichten over mond en klauwzeer en de vogelgriep ervoor gezorgd hebben dat mensen meer bewust omgaan met hun aankopen.

Er zijn op dit moment verschillende initiatieven van organisaties en de overheid om mensen meer bewust te maken van wat ze eten. Waar komt het vandaan, door wie wordt het gemaakt, Hoe staat het met het dierenwelzijn, hoe is de smaak en is het wel gezond? Allemaal zaken die te maken hebben met het voedsel dat wij iedere dag tot ons nemen.

Initiatieven

Het project Smaaklessen is een initiatief van onder andere Pierre Wind waarbij verschillende partijen betrokken zijn zoals bijvoorbeeld Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wageningen Universiteit en Researchcentrum, het voedingscentrum en enkele koksverenigingen. Het doel van Smaaklessen is om kinderen op een speelse manier te interesseren voor voedsel en op die manier ervoor te zorgen dat ze er bewuster mee omgaan. Smaaklessen gaat dit jaar van start op meer dan 500 scholen.

Een ander voorbeeld dat men bewuster omgaat met eten is het bestaan van een organisatie als Slow Food Zij vestigen de aandacht op goed eten en drinken. Belangrijk is daarbij smaak( behoud en ontwikkeling van diversiteit aan smaken, biodiversiteit, authentieke productiewijzen, kleinschalige productie), cultuur( bewaren van tradities en eetcultuur in de vorm van seizoensproducten en - gerechten) en kennis (smaakontwikkeling en smaakeducatie). Dit levert over het algemeen goede met aandacht gemaakte producten op die ook vaak lekkerder zijn dan die uit de grootschalige voedselindustrie. Klik hier voor meer organisaties die zich inzetten voor goed en lekker eten.

Een voortvloeisel uit het feit dat verantwoord eten tegenwoordig hoger op de agenda staat is dat ook de overheid en het bedrijfsleven zich er meer mee gaan bemoeien. Zo staat in het Rapport Coëxistentie Primaire Sector uit 2004 dat op het gebied van gentechnologie in Nederland al enige tijd overleg gaande tussen de verschillende belanghebbende organisaties over de wensbaarheid van genetisch gemanipuleerd voedsel. Deze discussie is zeker nog niet ten einde omdat de verschillende partijen het nog niet eens zijn over de schadelijkheid van genetische manipulatie. Zo wordt er bijvoorbeeld enerzijds beweerd dat genetische manipulatie leidt tot een toename van het gebruik van antipesticiden. Anderzijds beweren de voorstanders van genetische manipulatie dat dit juist zal leiden tot een afname van het antipesticiden gebruik.

Vanaf 2004 is in de gehele Europese Unie een nieuwe wetgeving actief op het gebied van genetisch gemanipuleerd voedsel, wat inhoud dat een genetisch gemodificeerd ingrediënt altijd op het etiket vermeld worden. Met de nieuwe wetgeving moet het mogelijk worden om de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen door alle schakels van de productieketen heen te volgen, van boer tot consument. Deze verplichting geldt voor levensmiddelen en voor diervoeders, zowel voor veevoer als voor voer voor huisdieren.
Genetische manipulatie is echter niet het enige issue voor de vele Nederlandse organisaties die zich bezig houden met de voedselindustrie. Zo houdt onder andere Stichting Wakker Dier zich bezig met de wijze waarop dieren worden behandelt in de bio-industrie en zijn er maatschappelijke organisaties zoals Fairfood en Oxfam/Novib die zich bezighouden met de armoede- en voedselproblematiek in de Derde Wereld.
Milieudefensie is recent een campagne gestart: Stop fout vlees. Zij proberen 40.000 handtekeningen bij elkaar te krijgen om via een burgerinitiatief de misstanden in de bio-industrie op de politieke agenda te zetten. In de campagne komen meerdere thema’s aan bod zoals dierenleed, ruimingen, mestoverschotten en ontbossing van het Amazonewoud.

Voor meer informatie over lekker en verantwoord eten, biologische voeding en de verschillende maatschappelijke organisaties klik hier.

Situatie in Oostenrijk – We Feed The World

Genetische manipulatie in de landbouw
"We have to get used to the idea that there are no longer any GM-free foods."
Karl Otrok, Director of production, Pioneer Romania

Oostenrijk wordt beschouwd als een land wat grotendeels vrij was van genetische manipulatie: tot nu toe werden er geen transgenetische organismen losgelaten in de samenleving, en de supermarkten hadden nauwelijks producten die gelabeld waren dat het genetisch gemanipuleerde ingrediënten bevatten. Maar de genetische manipulatie is via de achterdeur naar binnen gekomen in de vorm van veevoer.

Huiselijke productie van veevoer is ontoereikend om gehele Oostenrijkse industrie te voorzien. Oostenrijk importeert 550.000 ton soja per jaar, waarvan volgens Greenpeace 60 % genetisch gemanipuleerd is. Terwijl wettelijk geregeld is sinds 2004 dat dit veevoer een etiket moet krijgen met daarop de genetisch gemanipuleerde ingrediënten, is er geen wettelijke verplichting dat secundaire producten zoals vlees, eieren of melk, geproduceerd van dieren die dit veevoer geconsumeerd hebben, ook op deze manier gelabeld zijn.

Er zijn nauwelijks tests uitgevoerd om aan te tonen welk effect dit kan hebben op dieren of mensen. Wat wel duidelijk is, is dat het kweken en bebouwen van genetisch gemanipuleerde soja op een grote schaal in landen zoals Argentinië grote negatieve gevolgen heeft: het gebruik van pesticiden is drastisch toegenomen, bossen worden omgehakt en de voedingssituatie van de inwoners is alleen maar slechter geworden.

Wereldwijd worden genetisch gemanipuleerde planten gekweekt op meer dan zestig miljoen hectaren land, waarvan 99 % in Canada, Argentinië, China en de USA. Hiervan is het grootste gedeelte soja (58%), mais (23%), katoen(12%) en koolzaad(7%).

Binnen de Europese Unie is een grote beweging van de consumenten- inclusief de boeren- die tegen het loslaten van transgenetische organismen en genetisch gemanipuleerd voedsel zijn. De EU verklaarde een verbod – met in de rug de sterke oppositie van de World Trade Organisation- op het importeren van genetisch bepaalde zaden, tot 2004. Hierna is de genetische techniek steeds meer gaan infiltreren in de landbouw van Centraal en Oost Europa, vooral in voordelige landen zoals Bulgarije, Roemenië en Kroatie.

Overtolligheid en voedselgebrek
"Every five seconds a child under ten dies of starvation. A child that dies of starvation is in effect murdered."
Jean Ziegler, UN Special Rapporteur on the Right to Food

Een kwart van het resterende afval van Wenen bestaat uit ongeconsumeerd voedsel, waarvan het grootste deel nog perfect gegeten kan worden. Tegelijkertijd is het aantal verhongerde mensen in deze wereld langzaam groter aan het worden: 852 miljoen mensen leiden aan ondervoeding, de meeste in Afrika en Latijns Amerika. Zelfs in de rijke geïndustrialiseerde landen krijgen zo rond de tien miljoen mensen niet genoeg te eten. Per jaar sterven er meer dan vijf miljoen kinderen aan ondervoeding, volgens een recent rapport uitgegeven door de FAO, een UN organisatie voor voedsel en landbouw in Rome.
Toch kan dit probleem onder controle komen: Aan de ene kant door de berekeningen van de United Nations Development Programme, waarbij in theorie er wereldwijd genoeg voedsel geproduceerd wordt om de gehele wereldbevolking te voedden: aan de ander kant, het feit dat de laatste paar jaren dertig landen de ondervoeding naar 25% hebben teruggebracht.

Sinds 1948 is het recht op genoeg voedsel om de gezondheid en het welzijn te waarborgen bij de mens herkent als een basis recht van de mens, een recht dat vaak gebruikt is door de United Nations. Dus er zijn genoeg verklaringen van intenties, bronnen en kennis om honger te verslaan. Op een internationaal en huiselijk niveau ligt het probleem in het gemis van politieke wilskracht. Economische voordelen worden belangrijker gezien dan sociale en ecologische noodzaak, afspraken zoals die van de World Trade Organisation worden sneller in werking gesteld dan de afspraken die duurzame ontwikkeling ondersteunen.

Toch is er geen essentiële tegenstelling tussen het vechten tegen de honger en economische noodzaak. Het tegenwoordige FAO rapport stelt dat de noodzakelijke investering veel meer oplevert dan het kost. Dit is alleen maar logisch, gegeven dat honger mensen ziek en onproductief maakt, en hen dwingt de natuurlijke bronnen in hun dichtbijzijn omgeving te consumeren zonder rekening te houden met de houdbaarheid.

Aan de andere kant, van een serieuze anti-honger politiek zouden alleen de nationale economieën profijt hebben, en niet de globale en belangrijke nationale internationale corporaties.

Industrialisatie en landbouw
"All the market’s interested in is the price. Taste is not really a consideration."
Hannes Schulz, poultry breeder

De industrialisatie van de landbouw in Europa begon op een grote schaal na het einde van de tweede wereld oorlog en heeft zich sindsdien verspreid, wat niet alleen tot aanzienlijke veranderingen in het landschap heeft geleid, maar bovendien de balans van de natuur op veel plekken verstoord heeft: weilanden stomen over, stukken land opgehoogd en aangelegd zodat er gewerkt kan worden met grote machines, gigantische irrigatie systemen, steeds meer milieu toxine wordt gebruikt voor de bemesting en ongedierte bestrijding, nieuwe soorten bomen en planten worden ontwikkeld die de variëteit van ‘t groen van vroeger overneemt. De consequenties: verlies van diversiteit van verspreidingsgebeid van dier en plant, het afnemen van de voorraden van grondwater en de besmetting van grond, rivieren en levende wezens. De geïndustrialiseerde landbouw is verantwoordelijk voor bijna 10% van de broeikas gassen geproduceerd in de EU.

De drijvende kracht achter deze ontwikkeling van de laatste 50 jaar is de landbouw politiek van de EU geweest. Van het totale EU budget slokt de landbouw ongeveer de helft op- rond de 47 biljoen euro per jaar. In eerste instantie waren subsidies gekoppeld aan het productieniveau – des te meer boeren produceerden, des te meer ondersteuning zij ontvingen van de EU – terwijl in de laatste paar jaren boeren aanbetalingen ontvingen afhankelijk van de hoeveelheid land dat zij verbouwden of de grote van hun veestapel. Beide systemen beloonden exclusief toenames in productie, intensievere werkwijzen en de trend naar alsmaar grotere boerderijen. Niet alleen het milieu en het beschermen van de gezondheid vallen buiten de boot maar ook de diversiteit en kwaliteit van ons voedsel.

Een steeds verder afnemend aantal boerderijen zijn steeds grotere gebieden aan het bebouwen. Tussen 1975 en 1995 zijn meer dan 1.4 miljoen boerderijen failliet gegaan. De slechts getroffen landen zijn Italië, Spanje, Portugal en Frankrijk – in deze drie landen is het aantal mensen dat werkzaam is in de landbouw afgenomen met minstens eenderde tussen 1987 en 1997.

Tussen 1990 en 1995 is het aantal boerderijen dat failliet ging als een gevolg van ouder wordende boeren, waarvan velen dan wel pensioneerden of een subsidie kregen om hun economische activiteiten op te geven, steeds sneller gestegen. Gedurende deze periode, toen Europa 12 lidstaten telde, zijn meer dan een miljoen boeren gestopt – wat gelijk staat aan de sluiting van meer dan 550 boerderijen per dag! Deze trend heeft zich sinds 1995 voortgezet.
Sinds 2003 hebben subsidies bijgedragen aan de totstandkoming van de omstandigheden met betrekking tot milieubescherming, voedsel veiligheid, de gezondheid van vee en planten en aan de manier waarop dieren worden behandeld – maar in een veel te kleine mate volgens de mening van milieu en consumenten organisaties.

Gesubsidieerde onrechtvaardigheid
"If you go to the market in Senegal you can buy European produce for a third of the local prices. So the Senegalese peasant farmer no longer has any chance of earning a living."
Jean Ziegler, UN Special Rapporteur on the Right to Food

In 2004 subsidieerden de OECD staten hun landbouw met 226 biljoen euro’s. Er zijn binnen de OECD echter aanzienlijke verschillen: Aan de lage kant van de schaal zitten Australië en Nieuw Zeeland, die hun boeren subsidiëren voor minder dan 5%, terwijl aan de hoge kant van de schaal Noorwegen en Zwitserland hun boeren voor meer dan 70% subsidiëren. Met 34% ligt de EU iets boven het gemiddelde van 30%.

Een groot gedeelte van deze subsidies zijn export subsidies: ze helpen bij het op de wereldmarkt verkopen van overbodige landbouwgoederen die niet meer verkocht kunnen worden op de binnenlandse markt. Deze kunstmatige prijs verlaging drukt de prijzen op de wereldmarkt, waardoor het bedrijven van landbouw niet winstgevend meer is in vele andere delen van de wereld. Zelfs volgens de conservatieve berekeningen van de Wereld Bank kosten de subsidies in de rijke landen de boeren in de arme landen een marktaandeel van 30 biljoen dollar. Tegelijkertijd stelt de Wereld Bank dat – hoe absurd dit in eerste instantie ook klinkt – wanneer de subsidies zouden worden afgeschaft dit de landbouwsector een voordeel zou opleveren tot 250 biljoen dollar, al is dit dan tegen een rechtvaardigere distributie: landen met lage en medium inkomsten zouden het meest profiteren met een bedrag van rond de 150 biljoen dollar.

In rijke landen, zoals die van de OECD, is slechts 5% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en draagt het slecht 2% bij aan het Bruto Nationaal Product, terwijl ontwikkelingslanden komen tot een gemiddelde van 36% van het BNP en 70% van hun beroepsbevolking werkzaam is in de landbouw. Het huidige FAO rapport getiteld “De staat van de landbouw goederen markten” benadrukt dat rond de 2.5 biljoen mensen in ontwikkelingslanden direct afhankelijk zijn van de landbouw en daarom de meeste risico’s lopen door fluctuerende en dalende voedselprijzen.

De lange weg van akker tot tafel
"These trucks are all full of soya. They pick up their loads in the north of Mato Grosso. From there the soya is transported 2,500 kilometres to port. And from there the soya is exported."
Vincent José Puhl, , biologist (Brazil)

De krankzinnige logica van de lange afstand transporten van voedingsmiddelen is tegenwoordig algemeen bekend. Dit komt voornamelijk door de aandacht voor de transport van levende dieren dwars door het continent en mede door de merkwaardige voorbeelden zoals Duitse aardappelen die naar Polen getransporteerd worden om gewassen te worden voordat ze weer terug naar Duitsland worden getransporteerd om daar verkocht te worden. Analyses, uitgevoerd door de ÖAMTC Academy in 1997, onthulden dat zelfs een klassiek Weens ontbijt met alle ingrediënten – brood, ham, kaas, melk, suiker, eieren, yoghurt en ontbijtdrank – genuttigd in Oostenrijk, het resultaat is van ten minste 5,000 kilometer transport. Als je jezelf daarna nog verwent met een kiwi uit Nieuw Zeeland, kan je daar nog een extra 1,250 kilometer bij optellen – en dat is na 20,000 kilometer op een vrachtschip. In 2002 bleek uit transportanalyses van de Oostenrijkse voedsellijn dat de weg van akker tot tafel zelfs steeds langer aan het worden is. In de afgelopen 30 jaar is de totale transport van de voedsellijn als geheel gestegen met 125%.

Achter deze ontwikkeling, waarbij voedsel dat duizenden kilometers heeft gereisd vaak goedkoper is dan regionale producten, gaan goedkope arbeid en door de staat gesubsidieerde productie en transport schuil. Dit alles heeft een negatieve impact op mensen – te beginnen met de uitbuiting op de plaatsen van productie en tijdens transport, waaronder de enorme negatieve impact op mensen die langs de transportroute leven, tot gezondheidsrisico’s voor de consumenten van de voedingsmiddelen, die slechts door behandeling met chemicaliën geschikt zijn voor deze lange reizen.
Het milieu leidt er ook onder: door de directe impact van vervuiling aan de ene kant en door het hoge energieverbruik met zijn bijdrage aan de klimaatverandering aan de andere kant. Zo kost het bijna vijf liter petroleum voordat een kilo aardbeien, ingevlogen vanuit Israël, de supermarkt bereikt. Dit vergeleken met een kilo aardbeien van een Oostenrijkse boerderij waarvan het transport slecht 0.2 liter kost.

Maar het is niet alleen ons voedsel dat vanuit de gehele wereld komt. De dagen dat voedingsmiddelen voor Oostenrijks vee puur van de Oostenrijkse velden, weiden en alpen gras kwam is lang verleden tijd: in Centraal- en Zuid Amerika wordt op 350,000 hectare soja voor de Oostenrijkse vee industrie verbouwd – Dit is een even groot gebied als in Oostenrijk wordt gebruikt voor brood producten.

© Allegrofilm
 
 












(c) 2006 WFTW